De maat van de Marathon
Over het meten van de marathon.
de Volkskrant, Sport, 12 april 2008 (Mark van Driel)
Vroeger waren marathons te kort, nu zijn ze te lang. Wat is toch 42.195 meter? Op pad met parcoursmeters in Rotterdam, waar zondag de marathon wordt gehouden. ‘Je loopt al snel 300 meter te veel.’ Door Mark van Driel
Maurice Winterman en Paul Hodgson zijn nog wat slaperig als ze aankomen op de Coolsingel.
Het is zondagochtend half vijf, volgens de klok die net een uur is vooruitgezet. De Rotterdamse nachtclubs lopen leeg. Bij McDonald’s is het spitsuur. De wind draagt de geur van friet langs het stadhuis.
Dit is volgens Winterman en Hodgson het ideale tijdstip om het parcours van de marathon na te meten. De rest van de stad is in diepe rust.
Winterman wijst het startpunt aan: de rechterhoek van de afvoerput tegenover het stadhuis. Bij een wit verfstreepje begint over twee weken, op 13 april, de rituele martelgang van ruim 11.000 lopers. Voor hen is de marathon een mythische afstand, synoniem aan doorzettingsvermogen en wilskracht.
Voor de twee parcoursmeters telt vooral dat de marathon 42 kilometer en 195 meter lang is. Of, preciezer gezegd, geen meter minder dan de curieuze afstand die honderd jaar geleden door koninklijk ingrijpen werd vastgesteld.
Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Winterman en Hodgson behoren tot een exclusief genootschap dat metingen verricht. De 40-jarige Nederlander is vrijwel elk weekeinde in touw bij een van de vele loopwedstrijden. Nederland telt vijf officiële parcoursmeters. De 56-jarige Brit is sinds 1986 wereldwijd actief. Beiden zijn in het dagelijkse leven landmeter.
Het gereedschap van de parcoursmeters bestaat uit een fiets, een rekenmachine en de zogeheten Jones-counter. Dat is een klein, mechanisch apparaat dat vastzit aan de voorvork en de spaken. Het telt, kort gezegd, de omwentelingen van het voorwiel. Aan de hand daarvan is uit te rekenen of de parcoursbouwer zich aan de officiële afstand heeft gehouden. Het systeem is betrouwbaarder dan een computergestuurd gps-systeem. Dat wordt in de stad verstoord door hoge gebouwen.
|
Om vijf uur vertrekken de parcoursmeters in een kleine colonne vanaf de Coolsingel, tot verbazing van beschonken jongelui die de nacht nog niet vaarwel willen zeggen. Twee motoragenten gaan voorop om het verkeer te regelen. Dan volgt parcoursbouwer Wim Jonkman op een geleende Vespa. Dan Winterman en Hodgson, met neon veiligheidsvesten. En tot slot een bezemwagen.
De Volkskrant fietst ook mee, met een goedkope kilometerteller uit de speciaalzaak.Op de Vespa geeft Jonkman de ideale looplijn aan, oftewel de kortste weg tussen start en finish. Zonder motoragenten is die niet te rijden, zelfs niet op dit stille tijdstip. Al aan de voet van de Erasmusbrug blijkt dat de Rotterdammers niet weten wat ze aanmoeten met de curieuze colonne. Ze kijken verbouwereerd naar de motoragenten die dwingend gebaren dat ze plaats moeten maken voor de Vespa en fietsers.
De ideale looplijn gaat de helft van het parcours dwars tegen het verkeer in. Dat kan volgens de parcoursbouwer niet anders. Tijdens de marathon moeten de stadswijken bereikbaar blijven voor bewoners en hulpdiensten. Dat betekent dat er inventief geslingerd gaat worden tussen de rechter- en linkerhelft van de weg, de hele marathon door. Door de vele verbouwingen in Rotterdam verandert het parcours elk jaar, waardoor er elke twaalf maanden opnieuw wordt gemeten.
In de buitenwijken van Rotterdam-Zuid is het doodstil. De Vespa probeert het tempo van de snelste marathonlopers aan te houden, ongeveer 20 kilometer per uur. ‘De jongens lopen net zo hard als wij fietsen’, zegt Winterman. ‘Ik heb ook wel eens zo hard gelopen. Maar hooguit 3 kilometer. Dan gaan zij nog 39 kilometer door.’
Om de 5 kilometer stopt de colonne even. Met een lik verf wordt op het wegdek of een lantaarnpaal aangegeven waar straks drinkwaterposten komen te staan.Op sommige stukken wegdek is de ideale looplijn zichtbaar, als een zwarte rubberveeg van een vrachtwagen die kortgeleden is geslipt. Het is het restant van een mislukt experiment van enkele jaren terug.
De ideale lijn werd met blauwe verf op het wegdek aangebracht, als hulpmiddel voor de toplopers. Regen had de verf enkele dagen na de marathon moeten wegspoelen, maar de verf bleek van te goede kwaliteit. De lijn moest uiteindelijk zwart worden gemaakt, om automobilisten niet in de war te brengen. Parcoursbouwer Jonkman: ‘Sindsdien hebben we geen geverfde ideale lijn meer. We hebben een fietser die de toplopers de weg wijst.’
Hoewel de parcoursmeters eer leggen in het nauwkeurig volgen van de ideale looplijn, gaan toppers en recreanten er vaak achteloos mee om. Ze beseffen volgens Jonkman nauwelijks dat ze daardoor een stuk verder lopen dan strikt noodzakelijk is.
Toppers leggen al snel 300 meter te veel af, schat hij. Recreanten misschien nog wel meer. ‘Als je op je tandvlees loopt, is een paar honderd meter veel. En voor een wereldrecord of een persoonlijk record ook. Dat kan een halve minuut tot een minuut in de eindtijd schelen.’
Zelfs als marathonlopers de ideale lijn volgen, lopen ze te veel. Officieel is een marathon weliswaar 42.195 meter, in de praktijk is hij langer. Om te voorkomen dat een marathon te kort is, wordt aan elke 1.000 meter 1 extra meter toegevoegd. Pas als er 1.001 meter gereden zijn, registreert de Jones-counter er 1.000.Daarmee meet de marathon eerder 42.237 meter dan 42.195 meter. Mocht een loper een bocht afsnijden, dan legt hij nog steeds meer af dan de vereiste afstand. Jonkman: ‘Je meet niet hoe lang een marathon is, je toont aan dat hij niet te kort is.’
Tot eind jaren tachtig van de vorige eeuw waren marathons volgens de huidige meetinzichten structureel te kort. Volgens Jonkman en Hodgson scheelde het ‘honderden meters tot een halve mijl’. Parcoursbouwers zetten de marathon ruwweg uit op de landkaart en gingen die afstand vervolgens na met een auto of motor. De officiële marathonmeters liepen de afstand vervolgens na met een meetwiel, een wiel aan een stok. Dat wiel is veel minder accuraat dan de Jones-counter. Het stuitert over oneffenheden, zoals klinkers. En het is moeilijk recht te houden, waardoor veel sneller afwijkingen ontstaan.
Hoewel veel marathons vroeger dus te kort waren, maakt dat nu weinig meer uit. Alle oude records zijn verbeterd.Sinds begin jaren negentig zijn de meetmethoden tot in detail gestandaardiseerd. Om te voorkomen dat lopers onderweg afsnijden worden dranghekken geplaatst: in Rotterdam staan er 8.000. En de Jones-counter wordt nauwkeurig geijkt. Hij wordt bijvoorbeeld gecorrigeerd voor de temperatuurstijging of -daling die zich kan voordoen gedurende de meting.
Jonkman: ‘Als de temperatuur 8 graden oploopt, wat in de zomer tijdens een meting gemakkelijk kan, scheelt dat na 42 kilometer zo 50 of 60 meter.’Over dergelijke details praten de parcoursmeters weinig. Ze worden al voor gek versleten zonder de finesses van hun vrijwilligerswerk prijs te geven. ‘Als je op je werk vertelt dat je ’s ochtends om vijf uur een marathon gaat fietsen, zeggen ze dat je niet goed wijs bent’, zegt Winterman. Het deert hem niet. ‘Een groter compliment kun je niet krijgen.’
Winterman en zijn Britse collega genieten in stilte van de tocht door Rotterdam. Langzaam ontwaakt de stad. De vogels beginnen te fluiten. De zon komt op en als het even later zachtjes begint te regenen, verschijnt er kort een regenboog. Tegen half acht vertonen de eerste joggers zich op straat. Ook zij kijken vol onbegrip naar de kleine colonne.De parcoursmeters fietsen onverstoorbaar verder, in het besef dat hun reputatie op het spel staat. Hun werk wordt gecheckt als er in Rotterdam een wereldrecord wordt gelopen.
Het gebeurt niet vaak dat een record wordt geschrapt, wegens een foute meting. Hodgson heeft als controleur eenmaal moeten ingrijpen, in 1990 bij de halve marathon van Lissabon. Daar werd een wereldrecord gelopen op een parcours dat bij nadere inspectie 98 meter te kort bleek. De tijd werd ongeldig verklaard.
Bewust bedrog in de hoop op recordtijden komt volgens de parcoursmeters weinig voor, al heeft parcoursbouwer Jonkman af en toe zijn bedenkingen. Soms wordt er naar zijn smaak opvallend hard gelopen door atleten met een beperkte aanleg. Namen van marathons wil hij niet noemen.
In zijn eigen stad vreest Jonkman het oordeel van de controleurs niet. Hij wacht bij terugkeer op de Coolsingel vol vertrouwen de berekening af. Het is acht uur geweest. Het regent hard. De jongelui zijn verdwenen uit het stadscentrum, net als de frietlucht.
De teller van de Volkskrant staat op 42.970 meter, een kleine 800 meter te veel.Na een vluchtige berekening komt Winterman op 42.209. De Brit houdt het op 42.221.Even later, aan het ontbijt in een hotel, volgt de definitieve uitslag. De Jones-counter is gecorrigeerd voor een daling in temperatuur. Winterman heeft 3 meter te veel, zijn collega slechts 6 meter. ‘Ik heb in 22 jaar tijd nog nooit zo’n exact resultaat gehad’, zegt Hodgson tegen de parcoursbouwer. ‘Dit is verbijsterend.’
Jonkman glundert. Hij hoeft het keerpunt aan de Olympiaweg slechts een klein beetje te verleggen. ‘Het is niet verbijsterend. Het is goed werk’, zegt hij. Uit een tas haalt hij een stapeltje computeruitdraaien. Vroeger was hij urenlang met een landkaart en een meetlint in de weer om het parcours uit te zetten. Tegenwoordig heeft hij Google Earth. Met dank aan de satellietfoto’s kan hij heel nauwkeurig werken.
Zo nauwkeurig dat de menselijke meters met hun Jones-counter overbodig zijn? ‘Het lijkt erop, maar dat is niet zo. Zij moeten controleren wat ik aanbied. Alleen dan heb je een betrouwbare marathon.’
Copyright: de Volkskrant
Kijk ook op Winterman meet ideale lijn Midwinter Marathon

